Back to List

► In het rijtje van andere Belgische Missionarissen die iets betekenden voor de missies...

Pater Théophiel Verbist

Antwerpen 1823   Mongolië 1868


- -

- -


Theophiel Verbist (Antwerpen, 12 juni 1823 – Lao-Hu-Kou (Mongolië), 23 februari 1868) was een diocesaan priester die de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria (CICM) in 1862 in Scheut, een gehucht van Anderlecht, heeft opgericht.

De ouders van Theophiel waren Guillaume Verbist (° Antwerpen, 20 augustus 1787) en Catherine-Marie Van Honsem (° Antwerpen, 1791). Theophiel en zijn tweelingbroer Edmond werden op 12 juni 1823 geboren. Een plaat op de gevel markeert hun geboortehuis op de Paardenmarkt in Antwerpen. Ze liepen school bij de Jezuïeten in Antwerpen en daarna humaniora op het Klein Seminarie te Mechelen. Theophiel werd priester gewijd op 18 september 1847 door Kardinaal Sterckx.

Als jonge priester was Theofiel Verbist in België belast met het werk van de H. Kindsheid, een van de Pauselijke Missiewerken. De zorg voor weeskindertjes - en daar waren er veel van in China - was het doel. Daarom wilde Verbist zelf naar China. Samen met andere priesters uit alle bisdommen van België. Het officiële stichtingsjaar van 'Scheut' is 1862. Maar het fundament werd in 1860 gelegd. Dat was het jaar, dat de Westerse mogendheden China, het Rijk van het Midden, dwongen zijn grenzen te openen. Voor de Westerse economie en voor de Westerse godsdienst. Zeker zo belangrijk was dat midden negentiende eeuw ook de katholieke kerk overal in Europa aan een vruchtbare bloeiperiode bezig was.

Ook in Nederland, waar enkele jaren daarvoor, in 1853, bisschoppen waren aangetreden. Verbist zocht bijna vanaf het begin ook in Nederland priesters voor zijn levensdoel. Toen de eerste groep van vier scheutisten in 1865 onder zijn eigen leiding afreisde naar China was er ook een Nederlander bij, Ferdinand Hamer; hij was de eerste van een groot aantal Nederlandse Scheutisten. Ze reisden via Rome want er moet nog veel geregeld worden. Maar, zo schreef Verbist aan het thuisfront, dat moest geen gewoonte worden. Het weinige geld, dat ze hadden voor hun werk kon beter besteed worden. Siwantze in Binnen-Mongolië, enkele dagreizen ten noorden van de Grote Muur was het einddoel. De reis duurde maar liefst 104 dagen. Op 6 december kwamen ze aan, op 10 maart 1866 werd het nieuws van de voorspoedige aankomst in Brussel ontvangen.






Verbist werd getroffen door berichten over de armoede in het Chinese binnenland en raakte in de ban van het enorme 'Middenrijk'. In 1865 vertrok hij met drie vrienden-priesters weg uit het vertrouwde Vlaanderen naar het uitgestrekte en ijskoude Binnen-Mongolië, een provincie in het noorden van China. Hij was vergezeld van de Belgen Aloïs Van Segvelt (1826 - 1867) en Frans Vranckx (1830 - 1911) en de Nederlander Ferdinand Hamer (1840 - 1900).

Twee honderd mijl van oost naar west - een mijl mat 4,5 kilometer, een uur gaans - en honderd van noord naar zuid mat hun nieuwe werkterrein, het apostolisch vicariaat van Mongolië. Dat was bijna alles wat ze hadden vernomen van de Franse Lazaristen, van wie ze de missie zouden overnemen. Dat er twee weeshuizen waren, toevertrouwd aan 'Chinese maagden' en 7 tot 8000 christenen in drie gemeenschappen. "Het moeten mannen zijn die tegen vermoeienissen kunnen", hadden de Fransen ook gezegd, "want de verbindingen zijn zeer moeilijk en de het klimaat is uiterst streng".

Ze waren met z'n vieren, missionaris in een gebied zo groot als half Frankrijk. 's Zomers was het er snikheet, 's winters stervenskoud, gemiddeld rond 20 graden onder nul. Langdurige hongersnoden waren er meer regel dan uitzondering. Hun vervoermiddel was een paardje of voor de oudere Verbist een kar of een door muilezels gedragen stoel. Verbist was 42, Hamer 25 jaar oud. Ze spraken nauwelijks een woord Chinees. Hun missieposten lagen meer dan 150 uren van elkaar, een reis van twee tot drie weken."Wie van ons het voorrecht heeft gekregen van missionaris te zijn", schreef Hamer aan zijn familie in Nijmegen, "zal negen maanden van het jaar doorbrengen in een karretje of op de rug van een Tartaars paardje, om daarna uit te rusten van de vermoeienissen". Maar ze wisten waarvoor ze missionaris in China waren geworden: Dei gloriae et animarum saluti: voor de eer van God en voor het heil van de zielen. En dat waren er ook toen al veel in China 3 à 400 miljoen.

De stichter van de scheutistenorde stierf drie jaar later tijdens een missiereis, op 44-jarige leeftijd in het Chinese Lao-Hu-Kou aan de gevolgen van vlektyfus.

Zijn stoffelijk overschot werd op 10 mei 1931 overgebracht naar Scheut en op 30 maart 1932 bijgezet in de crypte van de Verbistkapel.









Back to List